Kattenziekten

HCM

Hypertrofische cardiomyopathie (HCM) is de meest voorkomende verkregen hartziekte bij de kat. HCM is een spierziekte (myopathie) van het hart (cardio) die gekenmerkt wordt door een sterke verdikking (hypertrofie) van de spierwand van linker en rechter kamer. HCM heeft een genetische basis, maar komt pas op latere leeftijd tot uiting, daarom spreken we van een verkregen hartziekte. Een kat wordt dus geboren met een genetische aanleg voor HCM maar óf , wanneer en in welke mate de kat HCM ontwikkelt is van vele andere factoren afhankelijk. HCM is een erfelijke ziekte en komt even vaak voor bij katers als bij poezen. Dierenartsen hebben de indruk dat de ziekte steeds vaker voorkomt in misschien wel 5-10% van alle katten.

De spierwand van de linker kamer (het belangrijkste pompgedeelte van het hart) is gemiddeld 4 mm dik. Deze spierwanddikte kan bij katten met HCM wel toenemen tot 8-10 mm! De verdikking van de wand gaat ten koste van de ruimte binnen in het hart. Er is daardoor minder ruimte voor bloed binnen het hart en per hartslag kan er minder bloed worden weggepompt. Bovendien is een dikke hartspierwand erg stug. Het vullen van de kamers vanuit de boezems zal door de stugheid en het verlies aan ruimte steeds moeizamer verlopen. De boezems kunnen het bloed minder goed kwijt en de druk in de boezems zal stijgen. De boezems zullen daardoor oprekken. Op een gegeven moment is de grootte van en de druk binnen de boezems zodanig dat de daarop aangesloten bloedvaten (de longader en de onderste holle ader naar de buik) ook uitrekken. Uiteindelijk kan er vocht ophopen in longen, borstkas of buik.

Naast problemen met de vulling van het hart, is er soms ook sprake van problemen met het legen van het hart. Door de vormveranderingen in het hart kan de uitgang naar de aorta (of de longslagader) soms vernauwen, waardoor de uitstroom van bloed belemmerd wordt (obstructieve vorm van HCM). Bovendien kan de klep tussen linker boezem en kamer opengetrokken worden en lekken.

Als er sprake is van een geringe verdikking van de hartspier, dan zal dit nauwelijks gevolgen hebben voor de kat in rust. In situaties waarbij veel bloed rondgepompt moet worden (inspanning, stress) komt de kat in de problemen omdat het hart niet aan de vraag van het lichaam kan voldoen. In een sterk verdikte hartspier en in een uitgerekte wand van de hartspier kan abnormale geleiding van de stroom die het hartritme bepaalt plaatsvinden. Hartritmestoornissen kunnen leiden tot sloomheid of zelfs plotse dood.

Bloed wat langzaam stroomt in een sterk uitgerekte boezem kan klonteren en bloedstolsels vormen. Zo’n stolsel wat in het hart ontstaat kan uit het hart worden gepompt en vastlopen in de bloedvaten naar de achterpoten, waardoor acute verlammingsverschijnselen optreden.

Is er in een later stadium sprake van uittreden van vocht in longen, borstkas of buik, dan valt op dat de kat erg benauwd, sloom en ziek is.

De eerste verschijnselen van HCM uiten zich meestal in het 2e tot 6e levensjaar. Eerder of later kan ook.

Katten weten zich in eerste instantie meestal goed aan een minder goed functionerend hart aan te passen door zich rustig te houden, meer te slapen en stress te vermijden. Het is voor een eigenaar bijna onmogelijk om deze fase van HCM te herkennen. Deze fase noemen we asymptomatisch of occult.

De observatie van een hartruis of een hartritmestoornis tijdens een bezoek aan de dierenarts kan een eerste aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van HCM.

In een later stadium valt soms op te merken dat de kat sloom wordt, zich slecht verzorgt, snel en moeizaam ademt, slechte eetlust heeft en vermagert. De kat ondervindt duidelijk nadelige gevolgen van de hartziekte en daarom spreken we van hartfalen.

Acute verlamming van de achterpoten of plotse dood is in enkele gevallen de eerste aanwijzing dat er sprake was van HCM.

Op grond van het verhaal van de eigenaar en het lichamelijk onderzoek door de dierenarts kan de aanwezigheid van HCM in een aantal gevallen worden vermoed. De definitieve diagnose wordt gesteld door middel van echocardiografisch onderzoek van het hart, waarbij grootte, vorm en functie van het hart worden beoordeeld. Met behulp van een electrocardiogram kunnen hartritmestoornissen gekarakteriseerd worden. Röntgenfoto’s van de borstkas dienen om de aanwezigheid van vocht in longen en borstkas vast te stellen. Er bestaat een DNA-test om de aanleg van 1 bepaalde vorm van HCM te testen. Is deze test positief dan wil dat zeggen dat het betreffende dier erfelijk belast is om HCM te krijgen. Of het dier op enig moment de ziekte ontwikkelt, is met de DNA-test niet vast te stellen, dat kan alleen met echocardiografie. Een negatieve test wil zeggen dat het dier de genetische basis voor 1 vorm van HCM niet heeft. Dit wil niet zeggen dat het dier nooit HCM zal krijgen, omdat er meerdere genetische varianten zijn.

Soms wordt de diagnose HCM als toevalsbevinding gesteld. De kat heeft geen enkel symptoom passend bij een hartprobleem, maar bij een lichamelijk onderzoek wordt een hartruis gehoord en na een cardiologisch onderzoek wordt vastgesteld dat uw kat HCM heeft. Als de veranderingen in het hart slechts gering zijn, de hartfunctie nog normaal is en de kat geen last lijkt te hebben van de hartziekte, dan wordt in veel gevallen geen verdere behandeling ingesteld. Het is wel van belang om een hartziekte met zekerheid vast te stellen of uit te sluiten, omdat bepaalde medicijnen of narcosemiddelen een acute verslechtering van de hartziekte kunnen veroorzaken. Omdat de ziekte gedurende het leven meestal meer schade aan de hartspier toebrengt, adviseren we altijd controle-onderzoeken om het verloop van de verslechtering in kaart te brengen. Omdat katten met hartproblemen vaak in eerste instantie niets laten merken, kunnen echografische veranderingen ons waarschuwen voor problemen die op korte termijn kunnen ontstaan.

Wordt bij uw kat HCM vastgesteld omdat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de kat last heeft van een hartziekte (sloomheid, vocht in longen of borstkas, verlamming van de achterpoten), dan is vaak direct een medicamenteuze behandeling noodzakelijk.

HCM is niet te genezen. HCM behoeft ook niet in alle gevallen een behandeling. Er zijn geen medicijnen waarvan bewezen is dat ze de progressie van de occulte fase naar hartfalen kunnen vertragen. Dit wil niet zeggen dat we niets kunnen doen. Als daar aanleiding voor is, wordt medicatie voorgeschreven om de vulling van het hart te verbeteren en/of de uitstroomobstructie te verminderen. Is er sprake van vochtophopingen in borstkas, longen of buik, dan worden ook plastabletten voorgeschreven. De behandeling heeft als belangrijkste doel de kwaliteit van leven van een kat met hartziekte te verbeteren, maar is helaas niet gericht op genezing van de onderliggende hartziekte.

Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat HCM bij de kat een ziekte is met vele uitingsvormen. Er zijn katten met HCM die een ogenschijnlijk normaal leven leiden en probleemloos oud worden. Er zijn ook katten met HCM die op jonge leeftijd al ernstige problemen krijgen. Met onze huidige kennis over HCM bij de kat is het moeilijk voor een individueel dier de levensverwachting te voorspellen. Door intensieve begeleiding en controle kunnen we trachten de hartfunctie van de kat zo goed mogelijk te ondersteunen en de kwaliteit van leven zo hoog mogelijk te houden.

FIV of Kattenaids bij de kat

FIV (Feline Immunodeficiency Virus) is een virus dat voorkomt bij de kat en de afweercellen van het lichaam aantast. Hierdoor wordt de algemene afweer van de kat verminderd. Het FIV virus is verwant aan het HIV virus bij de mens dat AIDS veroorzaakt. Daarom wordt FIV ook nog wel eens kattenaids genoemd. FIV kan alleen de kat ziek maken en niet de mens.

Het virus kan worden overgebracht via vecht- en bijtwonden. Kittens kunnen tijdens de dracht besmet worden wanneer de moederpoes tijdens de dracht besmet wordt met FIV. Ook kunnen kittens met FIV besmet worden via de melk wanneer de moederpoes tijdens de dracht met FIV besmet wordt.

Iedere kat kan op iedere leeftijd besmet worden. FIV komt wereldwijd voor en treedt 3x zo vaak op bij ongecastreerde katers dan bij poezen. Het virus komt vaker voor bij ongecastreerde katers omdat deze katten meer vechten en dus ook grotere kans hebben op bijtwonden. Ook treedt FIV vaker op bij zwerfkatten of bij katten die veel buiten komen.

Omdat FIV de afweer van de kat remt, wordt de kat gevoeliger voor ontstekingen van wondjes, andere virussen, wormen en bacteriën. Tussen het moment van besmetting met het virus en het tonen van verschijnselen kan een lange periode zittendaarom komt FIV vaker voor bij katten met een leeftijd van 5 jaar of ouder. Er zijn verschillende stadia van de infectie waarbij verschillende verschijnselen horen:

Eerste fase: de acute fase; 4 weken na infectie met het virus
De eerste fase duurt ongeveer 4 maanden. Uw kat kan tijdelijk niet lekker zijn, koorts hebben en/of vergrote lymfeklieren in de hals, oksels of knieholtes. Ook kan de kat diarree of bloedarmoede hebben. Er hoeven echter helemaal geen verschijnselen zichtbaar te zijn in deze fase.

Tweede fase: de latente fase
De tweede fase start ongeveer 7 maanden na de acute fase en de duur varieert enorm: tussen de  2 maanden en een aantal jaren (soms zelfs langer dan 5 jaar). Tijdens de latente fase sluimert het virus in de witte bloedcellen van de kat, echter de kat vertoont geen ziekteverschijnselen.

Derde fase: de chronische fase
In de chronische fase worden er vage klachten gezien zoals vermageren, koorts, oogontstekingen, verminderde eetlust , bloedarmoede, gezwollen lymfeklieren en vermageren.

Vierde fase; AIDS gerelateerd complex
In de vierde fase begint de kat verschillende soorten ontstekingen te ontwikkelen: Tandvlees- en/of mondslijmvliesontsteking, langdurige diarree, infecties van de bovenste luchtwegen, oogontsteking, huidaandoeningen, koorts, verminderde eetlust, gezwollen lymfeklieren.

Vijfde fase; AIDS stadium
In de vijfde fase functioneert de afweer niet meer en verergeren de klachten uit fase 4. Daarnaast kunnen gedragsveranderingen, dementie of epilepsie optreden. De dieren die inmiddels in dit stadium van de aandoening zijn beland, hebben nog een paar maanden te leven.

Met behulp van bloedonderzoek kunnen antilichamen tegen FIV worden aangetoond Deze antilichamen zijn 3-4 weken na besmetting in het bloed aanwezig. Een positieve uitslag betekent dat de kat besmet is. Er is echter één kleine kanttekening; bij gezonde katten kunnen nog wel eens valspositieve uitslagen voorkomen. In dat geval kan bloed voor bevestiging van de uitslag naar het laboratorium gestuurd worden voor een aanvullende test.

Helaas is er geen behandeling beschikbaar waarmee het in het bloed aanwezige virus volledig kan worden verwijderd. Daarom is het doel van de behandeling de kat zich zo goed mogelijk te laten voelen en symptomen te behandelen. Uiteindelijk zal de kat helaas overlijden aan de complicaties van de ziekte.

De kans op infectie met FIV kan verminderd worden door een kater te laten castreren waardoor er minder kans is op vechtpartijen. Het risico op besmetting van binnenkatten is zeer klein. Als er meerdere katten in uw huis leven, is er alleen in geval van vechten een risico dat uw andere katten worden besmet met FIV.

Wanneer FIV in een vroeg stadium van de ziekte wordt vastgesteld, kan de kat gedurende een lange tijd klachten-vrij zijn. Helaas zal een kat met FIV uiteindelijk overlijden aan de aandoening.

FeLV of Kattenleukemie

FeLV (Feline Leukemie Virus) of kattenleukemie is een ernstige virusziekte met dodelijke afloop, veroorzaakt door een retrovirus. Het virus produceert een enzym waardoor kopieën van het virus DNA in de besmette cellen van de kat terecht komt. Hierdoor wordt uiteindelijk het immuunsysteem van de kat ernstig aangetast en zijn de katten vatbaarder voor allerlei secundaire infecties.

Met FeLV geïnfecteerde katten scheiden in grote hoeveelheden virus af via speeksel en neusuitvloeiing, maar ook via bloed, urine en ontlasting wordt FeLV virus uitgescheiden. Besmetting treedt voornamelijk op door vechten en langdurig sociaal contact (likken, elkaar schoonmaken). Een drachtige poes kan bovendien het virus via de baarmoeder en moedermelk overbrengen op kittens. Het FeLV virus overleeft niet lang buiten het lichaam van een kat, waarschijnlijk minder dan een paar uur.

Niet elke geïnfecteerde kat zal ziek worden, maar elke kat die de ziekte ontwikkeld zal uiteindelijk sterven, veelal door de secundaire infecties. De ontwikkeling van ziekte is sterk afhankelijk van leeftijd, gezondheid en levensomstandigheden. Zo worden geïnfecteerde kittens uiteindelijke bijna allemaal ziek t.o.v. “slechts” 10-30% van alle volwassen katten.

Katten die niet ziek worden zullen echter wel het FeLV virus uitscheiden (drager)!

In het vroege stadium van de ziekte vertonen veel katten geen of nauwelijks ziektesymptomen. Na verloop van tijd (weken, maanden of zelfs jaren) kan de gezondheid van de geleidelijk verslechteren. Ook bij periodes van ziekte afgewisseld met perioden van relatieve gezondheid dient aan FeLV gedacht te worden.

De symptomen die gezien worden zijn het gevolg van de ziekte zelf of van de verminderde afweer:

– Verlies van eetlust

– Geleidelijk gewichtsverlies

– Slechte vacht conditie

– Vergrote lymfeklieren (leukemie)

– Aanhoudende koorts

– Bleke slijmvliezen (tandvlees, oog)

– Ontsteking van het tandvlees (gingivitis) en mond (stomatitis)

– Infecties van de huid, de urineblaas, en de bovenste luchtwegen

– Aanhoudende diarree

– Verandering in gedrag en evt. andere neurologische aandoeningen

– Oogafwijkingen

– In catteries, abortus van kittens en/of andere geboorteafwijkingen

Na een uitgebreid lichamelijk onderzoek en aan de hand van het verhaal van de eigenaar kan het vermoeden van FeLV ontstaan. Met behulp van een FeLV – FIV sneltest en een kleine hoeveelheid bloed kan de waarschijnlijkheidsdiagnose FeLV gesteld worden. Dit onderzoek kan op de kliniek worden uitgevoerd en de uitslag is binnen 10 minuten bekend.

Een positieve uitslag wil echter nog niet meteen betekenen dat de kat de ziekte ontwikkeld heeft. Het kan zijn dat de kat in een acute fase van de infectie verkeert en dat de kat de infectie overwint en niet ziek wordt. Daarom is aan te raden om de test na 3 maanden te herhalen.

Het kan zijn dat uw dierenarts adviseert om ter controle bloed naar een laboratorium op te sturen.

Omdat FeLV helaas niet te genezen is, is de behandeling gericht op:
1. het voorkomen van verspreiding van de ziekte op andere katten 2. het voorkomen van secundaire infecties 3. het behandelen van optredende secundaire infecties

Ad 1 Het voorkomen van verspreiding van de FeLV infectie naar andere katten
Alle katten uit het huishouden dienen getest te worden op FeLV. 
Alle FeLV positieve katten dienen absoluut gescheiden gehouden te worden van FeLV vrije katten (let ook op drinkbakken etc.), dus ook de katten die positief getest zijn, maar nog niet ziek lijken! 
FeLV positieve katten mogen niet meer naar buiten om infectie bij katten van andere eigenaren te voorkomen. 
Indien de geïnfecteerde katten nog niet gesteriliseerd/gecastreerd is, dient dat als nog te gebeuren om vechten en eventuele geboorteproblemen te voorkomen. 
Er zijn vaccins tegen FeLV, deze dienen echter met grote voorzichtigheid worden ingezet. Overleg hiervoor met uw dierenarts.

Ad 2 Het voorkomen van secundaire infecties
Geef hoog kwalitatieve voeding voor een optimale gezondheid. 
Vermijd het geven van ongekookt voedsel, zoals rauw vlees, eieren en niet gepasteuriseerde melkproducten, het risico op bacteriële en parasitaire infecties via deze voeding is te groot. 
Houd nauwlettend de gezondheid en het gedrag van uw kat in de gaten, waarschuw onmiddellijk uw dierenarts indien er wat aan de hand is. 
Alternatieve geneeswijzen, immunomodulatoren, of antivirale medicijnen hebben geen bewezen positieve effecten op de gezondheid of de levensduur van gezonde geïnfecteerde katten. 
Het is goed om met uw dierenarts halfjaarlijkse controles af te spreken. Daarbij is in ieder geval een uitgebreid lichamelijk onderzoek gewenst, aangevuld met bloedonderzoeken. Bovendien is het verstandig om nauwkeurig het gewicht bij te houden zodat gewichtsverlies tijdig gesignaleerd wordt.

Ad 3 Het bestrijden van secundaire infecties
Bij infecties kunnen antibiotica en pijnstillers worden voorgeschreven. 
Het geven van corticosteroïden is uit den boze omdat deze de afweer alleen maar verder doen afnemen!

Het enige wat u kunt doen om besmetting echt te voorkomen, is uw kat niet naar buiten laten gaan en geen contact te laten maken met andere katten. Dit is in de praktijk niet voor elk huishouden weggelegd.

Heeft u een huishouden met meerdere katten of een cattery, dan is kunt u het beste nieuwe katten eerst laten testen voordat zij in huis komen.

Zoals eerder gezegd, FeLV vaccins dienen met grote voorzichtigheid worden ingezet.

Het FeLV virus zal buiten de kat niet meer dan een paar uur overleven. FeLV katten zijn echter vaak besmet met andere virussen die wel langer kunnen overleven en bovendien een bedreiging kunnen vormen voor de nieuwkomer. Daarom is het verstandig harde materialen als harde vloeren, kooien en voer- en drinkbakken met een huishoudelijke chlooroplossing te ontsmetten. Tapijt dient grondig gezogen te worden en mandjes goed uitgewassen (of vervangen)

Het is niet bewezen dat FeLV kan worden overgedragen op de mens. Niettemin kunnen FeLV katten secundaire infecties krijgen die wel overdraagbaar zijn. Daarom is het beter om mensen met een minder goed werkend immuunsysteem niet in contact te laten komen met FeLV katten. Hierbij valt te denken aan Aidspatiënten, zwangere vrouwen, zuigelingen en kankerpatiënten met chemotherapie.

FIP of Feline Infectieuze Peritonitis

FIP of Feline Infectieuze Peritonitis is een virale aandoening bij katten veroorzaakt door bepaalde stammen van een virus genaamd de feline coronavirus. De meeste stammen van feline coronavirus veroorzaken geen ziekte. Katten die voor het eerst besmet worden met een feline coronavirus vertonen geen symptomen maar er vindt wel een immuniteitsreactie plaats. Bij een klein percentage van de gevallen kan het virus echter veranderen waardoor een stam ontstaat die wel tot klinische klachten leidt. Dit noemen we dan FIP.

Normaal gesproken zorgen witte bloedlichaampjes voor de afweer tegen ziekten. Bij FIP worden de witte bloedlichaampjes geïnfecteerd met het FIP virus. De hevige afweerreactie van het eigen lichaam zorgt voor uitgebreide ontstekingen aan de bloedvaten van de weefsels die de geïnfecteerde cellen bevatten. Dit zijn vaak organen in de buik of in de hersenen.

Zodra een kat klinische FIP met één of meerdere systemen van het lichaam van de kat ontwikkelt, de ziekte is progressief en is bijna altijd dodelijk.

Elke kat die een coronavirus draagt is potentieel risico voor het ontwikkelen van FIP. Katten met een zwak immuunsysteem hebben echter een grotere kans om de ziekte te ontwikkelen. Zo hebben ook katten met kattenleukemie (FeLV) en oudere katten een verhoogd risico. De meeste katten die FIP ontwikkelen zijn jonger dan twee jaar, maar in principe kunnen katten van alle leeftijden de ziekte ontwikkelen.

FIP zelf is geen besmettelijke aandoening, een kat die klinische symptomen van FIP vertoond scheidt slechts een heel klein gedeelte van het FIP-virus uit. Feline coronavirus kan tijdens de acute infectie in grote hoeveelheden worden gevonden in het speeksel en ontlasting van katten. Daarna in mindere mate bij herstelde en dragerkatten. Het virus kan enkele weken in de omgeving besmettelijk blijven. De meest voorkomende weg van infectie is overdracht van moeder op kittens met een leeftijd van vijf tot 8 weken.

FIP is relatief zeldzaam bij katten. De ziekte komt echter in hogere percentage voor in grote kattenpopulaties zoals catteries en asielen. FIP is vaker aangetoond bij bepaalde rassen zoals de Pers, Burmees en Balinees. Het is echter niet duidelijk of dit een erfelijke achtergrond heeft.

Katten die aanvankelijk blootgesteld aan het feline coronavirus meestal vertonen aspecifieke symptomen en de diagnose “infectie met coronavirus” wordt dan eigenlijk ook nooit gesteld. Sommige katten kunnen wat niezen en/of waterige ogen en neusafscheiding vertonen. Andere katten hebben weer juist wat last van lichte diarree.

Alleen een klein percentage van de katten die zijn blootgesteld aan het feline coronavirus ontwikkelen FIP ontwikkelen en dit kan weken, maanden of zelfs jaren na de eerste coronavirus infectie optreden.

Katten die FIP ontwikkelen vertonen pas in een relatief laat stadium meer of minder ernstige symptomen. Niet zelden leiden deze dan binnen enkele weken tot de dood. De eerste aspecifieke symptomen kunnen bestaan uit: 
– verlies van eetlust, 
– gewichtsverlies, 
– depressie, 
– mottige vacht en 
– koorts.

Er zijn twee belangrijke vormen van FIP, de “natte” vorm en de “droge” vorm.

Bij de droge vorm van FIP zullen katten in het algemeen minder snel symptomen vertonen dan bij de natte vorm. Symptomen bij de droge vorm zijn over het algemeen: 
– chronische gewichtsverlies, 
– depressie, 
– bloedarmoede, 
– aanhoudende koorts die niet op antibiotica therapie reageert.

De natte vorm van FIP is gekenmerkt door een ophoping van vocht in de buik of, minder vaak, in de borst. In het begin van de ziekte, kan de kat soortgelijke symptomen als de droge vorm vertonen. De natte vorm van de ziekte vordert vaak snel en het belangrijkste verschil is de steeds dikker wordende buik door de vloeistofophoping. Soms krijgt de kat zoveel vocht in de buik dat de kat last krijgt van een bemoeilijkte ademhaling.

FIP is lastig te diagnosticeren omdat de genoemde verschijnselen in principe bij heel veel aandoeningen kunnen optreden. De natte vorm is daarbij nog relatief het gemakkelijkst. Uw dierenarts kan de met vocht gevulde buik aanprikken met een dunne naald. Wanneer het vocht bestaat uit gele dradentrekkende vloeistof, wordt FIP wel erg waarschijnlijk.

De enige manier om definitief diagnose FIP is door pathologisch onderzoek van een stukje afwijkend weefsel of het onderzoek van weefsels bij autopsie.

Een van de moeilijkste aspecten van FIP is dat er geen eenvoudige diagnostische test bestaat. De testen die bestaan bewijzen de slechts een eerdere infectie met een coronavirus. Deze testen kunnen echter niet differentiëren tussen een stam die geen FIP veroorzaakt en een stam die dat wel doet. Er zijn testen die de hoogte van het aantal antilichamen, die belangrijk zijn voor de afweer, kunnen testen. Echter, ook hier betekent een hoge antilichamentiter niet automatisch een betere bescherming tegen FIP. Tot op heden is er dus geen manier gevonden om het risico op het ontwikkelen van FIP bij gezonde katten in te schatten.

Helaas is er op dit moment geen bekende behandeling of effectieve behandeling van FIP. Behandeling is over het algemeen gericht op ondersteunende zorg, zoals goede verpleegkundige verzorging en voeding, en het verlichten van de ontstekingsreactie. Katten met FIP worden vaak behandeld met antibiotica, corticosteroïden en cytotoxische medicatie. Ondersteunende zorg kan ook bestaan uit vochttherapie, bloedtransfusies en eventueel het afzuigen van de opgehoopte vloeistof in de buik.

Wanneer meerdere katten in een kleine omgeving worden gehouden, kan de kans op het ontwikkelen van FIP kleiner gemaakt worden met de volgende maatregelen:

– Katten zo gezond mogelijk houden.

– Goede kwalitatieve voeding.

– Kattenbakken schoon te houden en ver van de etens- en drinkbakken af te laten staan.

– Eventuele nesten regelmatig goed te reinigen (uitwerpselen en schoonmaken dagelijks, ontsmetten wekelijks).

– Nieuwe katten en alle katten die worden verdacht van besmetting moeten gescheiden gehouden worden van andere katten.

– Voorkomen van overbevolking.

– Katten regelmatig volgens het advies van de dierenarts laten vaccineren.

Er is slechts één geregistreerd FIP vaccin beschikbaar, dit vaccin heeft echter minimale eventuele effectiviteit bij het voorkomen van FIP. Het is zeker niet aan te bevelen om katten standaard tegen FIP te vaccineren. Het vaccin lijkt veilig te zijn, maar de risico’s en voordelen van vaccinatie moeten zorgvuldig worden afgewogen.

Was de overleden kat de enige kat in huis, dan zou u in principe meteen weer een nieuwe kat kunnen nemen. Ten tijde van de klinische symptomen van de FIP wordt er immers nagenoeg geen virus uitgescheiden. Wilt u geen enkel risico nemen, dan kunt u het beste 6-8 weken wachten en de kattenbakken, etens- en drinkbakken en kooien even goed ontsmetten.

Heeft u nog meerdere katten in huis, dan gelden de bovenstaande adviezen ter preventie van FIP.

FIP is een dodelijke virusaandoening bij katten die lastig te diagnosticeren is en waar helaas nog geen goede behandeling voor bestaat. Preventie bestaat vooral uit het zo gezond mogelijk houden van katten en goede hygienische omstandigheden.

PKD of Polycystic Kidney Disease

PKD is een ziekte van de nier, waarbij er zich in de nier holtes vormen die gevuld zijn met vocht (cystes). Deze holtes zijn al aanwezig vanaf de geboorte van de kat, maar zijn in eerste instantie heel klein. Naarmate het dier ouder wordt zullen deze holtes zich uitbreiden en het nierweefsel verdringen, waardoor de nieren niet meer kunnen functioneren.

PKD is een erfelijke ziekte, die van ouder op nakomeling wordt overgebracht. Er is maar één ziek ouderdier nodig om de ziekte over te dragen.

Het komt bij bepaalde rassen vaker voor dan bij andere, bijvoorbeeld bij de Pers, de Brits kort- en langhaar, Heilige Birmaan, Devon en Cornish Rex en een aantal Oosterse rassen.

De betere fokkers laten hun dieren onderzoeken voor dat zij er mee gaan fokken. Dit kan door middel van een DNA-test en ook kan er een echo van de nieren worden gemaakt. Als een dier genetisch belast is met deze ziekte zou deze uitgesloten moeten worden van de fok, ookal is het dier op dit moment zelf (nog) niet ziek.

Katten met PKD hebben in eerste instantie geen klachten. Vaak wordt het per toeval gevonden. Pas op het moment dat de holtes in de nieren zo groot worden dat zij het gezonde nierweefsel gaan verdringen, krijgt het dier klachten van de verminderde nierfunctie. Het is onbekend hoe snel de ziekte ontstaat, meestal beginnen de eerste klachten rond de leeftijd van 7 jaar. Helaas komt het ook voor bij jongere dieren.

De ziekte wordt vaak pas in een later stadium ontdekt als het dier klachten krijgt van een verminderde nierfunctie: in eerste instantie wordt er veel drinken en plassen gezien, het dier gaat vermageren en vaker overgeven. Vaak hebben de dieren een verminderde eetlust en vallen zij af.

Bij onderzoek kunnen soms de vergrote nieren worden gevoeld en eventueel kan een bloedonderzoek een slechte nierfunctie aantonen. Onderzoek van de buik met een echo geeft een duidelijk beeld van de ziekte.

PKD kan al voor het eerste levensjaar gediagnosticeerd worden d.m.v. een echo van de nieren. Echo-onderzoek t.b.v. stamboomonderzoek dient door specialist-radiologen te gebeuren. Een positieve DNA-test is ook bewijzend voor PKD.

Het zieke dier wordt in eerste instantie ondersteund met speciaal voer en soms met medicatie. Het is helaas een ongeneeslijke ziekte, waar het dier uiteindelijk aan zal overlijden.

Katten die al vroeg worden gediagnosticeerd dienen uitgesloten worden van de fok en dus gesteriliseerd/gecastreerd te worden.

Niesziekte

Niesziekte bij kat en kittens is een virusaandoening en dus besmettelijke ziekte van de voorste luchtwegen (neus en keel). Er zijn meerdere verwekkers van niesziekte;

– Calicivirus

– Rhinotracheitisvirus

– Chlamydia

Van de verschillende virussen bestaat ook weer een groot aantal stammen. Meestal betreft het menginfecties. Door de weerstandsvermindering van de virusinfectie komt er heel vaak ook nog eens een bacteriele infectie overheen. Omdat de ogen en de keel in verbinding staan met de neus doen deze ook vaak mee in het ziektebeeld. Doordat er meerdere organismen de oorzaak zijn en meedoen in het ziektebeeld spreekt men ook wel van het niesziektecomplex.

Het virus wordt overgedragen door direct contact met slijmvlies, speeksel of oogvocht of via de lucht (door het niezen) waar veel katten dicht op elkaar zitten (zoals een pension of cattery). We zien vaak dat hele nesten besmet worden door hun moeder. Het Rhinotracheitisvirus is een herpesvirus (net zo als de koortslip bij de mens) dat betekent dat geinfecteerde katten altijd in stressvolle situaties (ziekte, bevalling) weer virus kunnen gaan uitscheiden.

Dit komt nogal eens voor, vooral in de zomer wanneer de infectiedruk in pensions zeer hoog is. Omdat er een groot aantal stammen bestaan, zie je toch nog wel eens een doorbraak. Gelukkig zijn de verschijnselen van een gevaccineerde kat vaak veel minder erg dan bij een niet gevaccineerde kat.

Er zijn verschillende veroorzakers van niesziekte en daarmee kunnen de verschijnselen ook nogal varieren:

– Niezen (varierend van af en toe tot onophoudelijk)

– Kuchen

– Benauwdheid

– Koorts

– Niet eten/drinken

– Ooguitvloeiing (varierend van helder tot pussig)

– Neusuitvloeiing (varierend van helder tot pussig)

– Blaasjes op de tong

– Kwijlen

– Ernstige oogbeschadigingen

Vooral jonge en niet gevaccineerde katten kunnen erg ziek worden van niesziekte. Indien er te laat een behandeling ingesteld wordt, zien we helaas nogal eens blijvende of steeds terugkerende problemen.We spreken dan nogal eens van chronische niesziekte.

In verreweg de meeste gevallen zal de diagnose niesziekte gesteld worden op basis van het verhaal, de verschijnselen en het lichamelijk onderzoek. In een aantal hardnekkige gevallen kan het nodig zijn aanvullend onderzoek te doen zoals een neus/oogswab voor kweken, bloedonderzoek en röntgenfoto’s. Bij langdurige infecties is het in ieder geval zaak om tevens te testen op FeLV en FIV.

In principe is een virus niet te bestrijden en hoef je hier geen medicatie voor te geven. We kunnen echter wel symptomen zoals bijvoorbeeld koorts bestrijden. Bij heldere uitvloeiing zonder koorts is het in principe juist om geen antibiotica te geven. Toch zien we zo vaak secundaire bacteriele infecties optreden, dat er toch vaak antibiotica gegeven wordt. Wordt de neus en/of ooguitvloeiingpussig, dan geven we wel direct antibiotica.

Soms is een infuus noodzakelijk om de ontstane uitdroging te bestrijden

In ernstige gevallen van benauwdheid wil het spoelen van de neus nogal eesns verlichting geven

Bij zeer hardnekkige, chronische gevallen kunnen zogenaamde immunomodulatoren gegeven worden. De ene keer zien we hier echter goede resultaten maar de teleurstellingen zijn net zo talrijk.

Indien niesziekte op tijd behandeld wordt, zijn de vooruitzichten prima. Wanneer het te laat behandeld wordt is er een groot risico op chronisch worden van de infecties cq altijd gevoelig blijvende luchtwegen. Bij kittens met niesziekte zien we zelfs wel eens ooleden die helemaal vergroeid zijn met elkaar als gevolg van een doorgemaakte infectie. Bij ernstige acute infecties kan zelfs de dood optreden door het weigeren van eten en drinken. Nogmaals; wanneer op tijd ingegrepen wordt zal uw kat er zelden iets aan overhouden!

– Door de jaarlijkse vaccinatie tegen niesziekte.

– Door u te houden aan het vaccinatieschema voor kittens

– Gaat uw kat naar een pension en het pension stelt vaccineren niet verplicht? Dan loopt uw kat een sterk verhoogt risico. Beter is het om dan naar een ander pension uit te kijken.

– Een aantal pensions stellen tegenwoordig de vaccinatie tegen Bordetella verplicht.

– Heeft u een huishouden bezocht met niezende katten? Altijd handen wassen voordat u naar huis gaat (dit kan sowieso geen kwaad!)

– Niet langer dan een dag of twee wachten om naar de dierenarts te gaan met een niezende kat.

– Houd nieuwe kittens in een huishouden minimaal een week na de tweede vaccinatie apart van elkaar.

Kattenziekte

Kattenziekte of Feline Panleucopenie is een zeer besmettelijke virusziekte die voorkomt bij katten, veroorzaakt door het panleukopenievirus, een zogenaamd parvovirus.

Kittens kunnen in de baarmoeder besmet worden met kattenziekte, wat kan leiden tot de dood. Als ze wel levend geboren worden, dan hebben ze meestal onderontwikkelde kleine hersenen of een waterhoofd.

De jonge of volwassen kat kan via de neus (inademing) of het maagdarmkanaal (ingestie) geïnfecteerd worden. Het virus zit in alle uitscheidingsproducten van de kat (speeksel, braaksel, traanvocht, ontlasting). Ook kan de kat besmet worden door indirect contact. Dit gebeurt bijvoorbeeld doordat de kat in contact komt met besmette voorwerpen zoals; voerbakjes, transportmandje, vloer, schoenen, kattenbak en kleding. Maar ook bijvoorbeeld kattenvlooien kunnen het virus overbrengen. Het probleem is dat het virus lang in de omgeving aanwezig kan blijven, resistent is tegen de meeste desinfectiemiddelen en na een jaar zelfs nog tot besmetting kan leiden.

Kattenziekte komt wereldwijd voor in niet of onvoldoende gevaccineerde populaties. Vooral in een omgeving waar veel ongevaccineerde katten bij elkaar zitten kan het leiden tot snelle en massale dood onder deze katten.

Jonge kittens tot 6 maanden zijn het meest vatbaar, maar ook volwassen dieren die niet voldoende beschermd zijn, kunnen kattenziekte krijgen.

Kittens die in de baarmoeder besmet worden met kattenziekte, overlijden meestal vóór of kort ná de geboorte. Als ze wel levend geboren worden, dan hebben ze meestal onderontwikkelde kleine hersenen of een waterhoofd.

Een kat met kattenziekte heeft in het begin wat algemene verschijnselen: sloomheid, hoge koorts en braken. Als de kat de eerste fase overleeft, krijgt de kat na enkele dagen ook diarree; het darmslijmvlies wordt verwoest. De diarree is zwart, stinkend, en kan bloedstolsels en slijm bevatten. De kat heeft veel buikpijn, wil niet eten en drinken en zal uitdrogen. Vooral in de eerste fase kan zeer acute sterfte optreden en zijn de verschijnselen minder duidelijk.

In het bloedonderzoek kan de dierenarts een daling van alle witte- en rode bloedcellen en bloedplaatsjes waarnemen, een zogenaamde panleukopenie.

Soms kan een positieve parvo snel test (van de ontlasting) bij uw eigen dierenarts al een eerste verdenking van kattenziekte geven. De diagnose kattenziekte kunnen we met zekerheid stellen door bloed of ontlasting op te sturen naar een extern laboratorium; het antigeen moet worden aangetoond. Antistoffen aantonen is minder betrouwbaar. Als een kat is overleden worden er weefselmonsters van organen genomen om de diagnose te stellen.

Een kat met kattenziekte moet zeer intensief in een quarantaine behandeld worden. De kat moet aan het intraveneus infuus, soms is zelfs bloedtransfusie nodig. Ook zijn er veel ondersteunende medicijnen nodig om het braken te onderdrukken en de bloederige diarree te behandelen.

Zeker 90% van de katten overleeft de ziekte helaas niet. Als de kat het wel overleeft kan hij drager blijven van het virus en het uitscheiden in de omgeving en hiermee andere katten besmetten.

Kattenziekte kan voorkomen worden door middel van vaccinatie. Als de moeder goed gevaccineerd is, kunnen de kittens in de baarmoeder niet ziek worden. Vervolgens krijgen ze de antistoffen via de moedermelk binnen. Deze zogenaamde maternale antilichamen verliezen echter snel hun werkzaamheid.

Een kitten moet twee maal het kattenziekte vaccin krijgen, meestal worden deze gegeven op 9 en 12 weken leeftijd. Op de leeftijd van 1 jaar wordt het katje nogmaals tegen kattenziekte gevaccineerd. Vanaf dan beschermt de vaccinatie tegen kattenziekte 3 jaar lang. De vaccinatie moet vervolgens elke 3 jaar herhaald worden.

Als uw kat een aantal jaar niet is gevaccineerd tegen kattenziekte, maar wel de drie kitten vaccinaties heeft gehad, dan volstaat een éénmalige vaccinatie om de bescherming tegen kattenziekte weer op te pakken.

Door de gehele kattenpopulatie goed te vaccineren, kan een epidemie voorkomen worden. In Nederland wordt maar ongeveer 40-50% van de katten gevaccineerd, dit is weinig. De trend is dat kattenbezitters hun katten steeds minder laten vaccineren; met als risico dat er dus een keer een kattenziekte uitbraak kan komen.

loading...